Wie was die Otto Cornelis van Hemessen?

Op de begraafplaats in Woubrugge ligt het verweerde graf van O.C. van Hemessen, met een gedenksteen waarop de tekst: ‘IN DANKBARE HERINNERING VAN GEMEENTEBESTUUR EN BURGERIJ VAN WOUBRUGGE’.

De kade aan de westzijde van de Woudwetering, het centrum van Woubrugge, draagt de naam Van Hemessenkade. En in Woubrugge, een dorp met 3600 inwoners, is een (klein) museum: Museum Van Hemessen.

Amsterdam

Otto Cornelis van Hemessen werd op 27 juli 1854 in Amsterdam geboren. Hij doorliep er alleen de lagere school, maar heeft daar in ieder geval voldoende opgestoken om al op jonge leeftijd een dagboek te beginnen dat hij tot het eind van zijn leven heeft bijgehouden. Daardoor is er veel bekend over zijn leven.

Otto wilde eigenlijk naar zee, maar wordt timmerman omdat zijn moeder dat een beter beroep voor hem vond. Op 1-11-1874 tekende hij voor zes jaar als huzaar. In 1878 overlijdt zijn vader en moet hij voor zijn moeder en zus gaan zorgen. In 1881 trouwt hij met een voormalig buurmeisje. Hij werkt als timmerman, brievenbesteller, assistent-deurwaarder, agent van politie en begint tussendoor een tabakshandel. De handel loopt voorspoedig en hij stopt geld in de bouw van een paar huizen. Dat loopt mis en hij moet zijn tabakshandel verkopen.

Naar Woubrugge

Op aandringen van zijn zwager solliciteert hij als veldwachter in Woubrugge. Voor zijn sollicitatie moet hij daarnaar toe; het is nog een heel gezoek waar Woubrugge ligt en hoe hij daar in vredesnaam moet komen. Otto wordt aangenomen en zal er de rest van zijn leven blijven. Zo wordt hij bekend als de veldwachter van Woubrugge. In 1884 vestigt het gezin Van Hemessen (Otto, Maria en twee kinderen) zich in Woubrugge. In september van dat jaar is er een blijde gebeurtenis: de geboorte van een dochter. Het vervolg is droevig: in oktober overlijden achtereenvolgens het dochtertje en Maria. Een man alleen met twee kinderen is lastig; de zuster van Otto komt helpen in de huishouding. In oktober 1885 hertrouwt Otto met Jannetje van der Laan, dochter uit een oude Woubrugse familie. De levensloop van Otto tot zover overziend is het niet verbazend dat hij veldwachter wordt, met een echte Woubrugse in Woubrugge trouwt en daar ook blijft wonen, en ook niet dat hij, als ‘fijngelovige man’ betrokken is bij de splitsing van Gereformeerden en Hervormden in Woubrugge. 

Dit alles vormt geen verklaring waarom zijn naam nog altijd zo bekend is in Woubrugge. Die verklaring is te vinden in de inleiding van het boek dat hij heeft geschreven over de geschiedenis van Woubrugge en Hoogmade

Zoals Otto in zijn inleiding schrijft: “…ook Woubrugge/Hoogmade heeft een geschiedenis. Ook hier hebben geslachten na geslachten geleefd, gewerkt, geleden en gestreden, en die geslachten spreken ook nu nog, nadat zij gestorven zijn. Alleen, die sprake moet beluisterd worden”. 

De erkende historici in zijn tijd hebben daar kennelijk geen interesse, tijd of geld voor. Zijn reactie daarop is geweest: dan doe ik dat toch zelf!  Tussen 1886 en 1899 worden er in het gezin Van Hemessen zeven kinderen geboren waarvan er drie binnen een jaar overlijden. In deze periode gaat Van Hemessen, naast zijn baan en activiteiten binnen de kerkelijke gemeenschap, aan de slag. Hij speurt overal naar informatie, aanwijzingen en details over de historie van Woubrugge en Hoogmade. Bezoekt archieven en bibliotheken en dat in een tijd dat het toch niet zo eenvoudig is als tegenwoordig om vanuit Woubrugge naar, bijvoorbeeld Leiden, Den Haag of Velp te gaan. Hij schrijft over zijn bevindingen niet alleen stukjes in de krant, maar ook twee boeken; het eerder genoemde en een boek over de kerstening, ontwikkeling door de eeuwen van de kerk in Woubrugge en de bouw van dorpskerk van Woubrugge uit 1653.

Geschiedenis

Door zijn onderzoekingen en publicaties werd O.C. Van Hemessen misschien niet de grondlegger,  maar zeker wel een illustere vertegenwoordiger van de lokale geschiedschrijving. Na de publicatie van zijn eerste boek werd hij benoemd tot lid van de Vereniging Oud-Leiden, het Historisch Genootschap en in 1921 verkozen tot lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Minstens zo belangrijk was dat hij door zijn aanpak ook bij zijn dorpsgenoten interesse in de geschiedenis wist te wekken. Als voorbeeld het jaar 1913. Het is dan 100 jaar geleden dat, na de Franse tijd, Nederland onafhankelijk werd. Het leek hem een leuke gedachte om nabij de plaats waar volgens zijn bevindingen het voormalige Jacobswoude had gelegen (vanwaar de bewoners tussen 1550 en 1600 naar Woubrugge verhuisden), een monument op te richten. Om zijn dorpsgenoten daarbij te betrekken werd een comité opgericht dat een historische optocht ging organiseren ter gelegenheid van het onafhankelijkheidsfeest. Het eindpunt van de tocht was het nieuwe monument dat toen werd onthuld.

In 1916 werd tegenover het monument een hardstenen bank geplaatst waarin een fragment van een grafzerk uit de kerk van Jacobswoude is verwerkt. De bij zijn dorpsgenoten gewekte interesse leidde er ook toe dat als er ‘iets ouds’ gevonden of opgegraven werd men reageerde met “Breng het maar naar de veldwachter”. Hij beschreef het en het kreeg een plaats in het gemeentehuis of bij hem thuis. 

Verschillende foto’s in het gemeentehuis uit die tijd laten zien dat er geen hoek of muur meer over was die niet deed denken aan de historie van Woubrugge en Hoogmade. Maar ook zelf ging hij actief op zoek. Het probleem waar hij, als vele anderen, mee zat was: je vindt wel veel losstaande feiten, aanwijzingen en voorwerpen maar hoe passen die in een compleet verhaal; wat is dan de waarheidsgetrouwe geschiedenis? Hij heeft daar kennelijk veel over nagedacht en er met anderen over gesproken.

Breng maar naar de veldwachter

Na 36 jaar veldwachter ging Otto in 1920 met pensioen, voor hem de mogelijkheid om zich, meer dan voorheen, te verdiepen in de historie van ‘zijn’ inmiddels geliefde Woubrugge/Hoogmade. Met ingang van 1-4-1927 kreeg hij de titel ‘ambtenaar belast met de zaken van het oud archief van de gemeente Woubrugge’. Op zijn pensioen van 742 gulden (per jaar) kreeg hij een toeslag van 146 gulden. 31-12-1934 werd voor Otto een gedenkwaardige dag: “Het heeft de Koningin behaagd hem te benoemen tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau”. Otto Cornelis van Hemessen overleed op 18-7-1937. Hij heeft het initiatief genomen tot verschillende historische tentoonstellingen. 

Al in 1913 ontlokte het de commissaris van de koningin de opmerking “Mocht dit eens tot een museum leiden”. Aan Otto heeft het niet gelegen; de historische verzameling breidde steeds uit. In 1928 publiceerde hij de ‘Catalogus met 300 nummers betrekking hebbend op het verleden van Woubrugge Hoogmade, met historische toelichting’. In 1935 verscheen daarop een supplement met 250 nummers. Het zou echter tot 1953 duren voor de ‘historische verzameling’ een vaste plaats kreeg in wat nu Museum Van Hemessen is. 

In de tijd van Otto Cornelis van Hemessen was er niet veel aandacht voor de lokale geschiedenis en was er daarvoor van overheidswege zeker geen ‘structureel’ geld beschikbaar. Zijn karakter bracht hem af en toe in conflict met zijn superieuren, maar hij kreeg er ook veel medestanders door voor wat hij trachtte te bereiken. 

Wat hij is begonnen vanwege de, naar zijn oordeel, onvoldoende aandacht van ‘officiële instanties’ voor de lokale geschiedenis heeft geleid tot: 

  • Museum Van Hemessen waarin (nu meer dan) 1400 nummers de historie van Woubrugge/Hoogmade illustreren. 
  • de Historische Vereniging O.C. van Hemessen die de belangstelling voor en de bestudering van de geschiedenis en folklore wil bevorderen. 
  • de Stichting tot Behoud van het Cultureel Erfgoed van Jacobswoude, die zich inzet voor bestudering en het behoud van het cultureel erfgoed van Woubrugge/Hoogmade in het algemeen en in stand houden van Museum van Hemessen in het bijzonder. 

En dit alles, in het voetspoor van Otto, door vrijwilligers.

Pensioen

Bent u benieuwd geworden naar onze collectie?